Hoe beoordeelt u uzelf als bestuurder van een auto? Met die vraag start ik altijd mijn bijdrage als praktijkdocent voor het Private Wealth Management programma van Nyenrode Business Universiteit. Zonder uitzondering vindt de meerderheid zichzelf een bovengemiddeld goed bestuurder. Vrijwel niemand beoordeelt zichzelf als ondergemiddeld. Dat kan niet en toch is het elke keer zo. Bij beleggen is het niet veel anders.
Ondernemers die hun bedrijf hebben verkocht en voor het eerst een groot vermogen beheren, lopen hier ook tegenaan. Met één groot verschil dat erg veel uitmaakt. Zij hebben het bewijs van hun gelijk op de bankrekening staan, is hun gedachte. Toch is overmoed, die hieraan ten grondslag ligt, een potentieel grote valkuil.
Overmoed is een verdiende eigenschap
Wie dertig jaar in dezelfde markt vrijwel altijd gelijk kreeg, heeft recht op zelfvertrouwen. Dat is geen denkfout, dat is opgebouwde kennis en praktijkervaring. Het probleem ontstaat als de kennis en praktijkervaring één-op-één worden geprojecteerd op beleggen. “Ik ben een succesvol ondernemer, dus ben ik ook een succesvol belegger.” Nee, was het maar zo eenvoudig.
Verschillende onderzoeken tonen aan waarom ondernemers, ondanks hun zakelijke succes, als belegger systematische fouten kunnen maken. Het vermogen is opgebouwd door ondernemerschap, specialistische kennis van de sector en het nemen van ondernemingsrisico. Voor het behouden en laten groeien van het opgebouwde vermogen zijn heel andere competenties nodig. Er zijn drie zaken die onderscheiden moeten worden. Ondernemingssucces: de kunde om een onderneming op te bouwen en succesvol te maken. Beleggingsvaardigheid: de competentie om op lange termijn, gecorrigeerd voor risico, beter te presteren dan een passende benchmark. Vermogensbehoud: de kunde om concentratierisico, liquiditeit, fiscaliteit en vermogensoverdracht te beheersen. En hier wringt de schoen. Het eerste bewijst niet automatisch het tweede of het derde.
Vermogen is geen bewijs van inzicht
Interessant in dit kader is een onderzoek onder 2.484 Amerikaanse miljonairs, waaruit blijkt dat hun verwachtingen over financiële markten verrassend veel overeenkomen met die van gemiddelde Amerikaanse huishoudens. Vermogen blijkt dus geen vanzelfsprekend bewijs van superieure financiële inzichten. Dat brengt mij dan bij de inzichten van Barber en Odean van de University of California. Zij onderzochten de resultaten van tienduizenden particuliere beleggers en kwamen tot de conclusie dat de groep die het vaakst handelde, het slechtst presteerde. Overmoed leidt tot meer transacties, meer transacties leiden tot hogere kosten en dus tot een lager rendement.
Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman, auteur van onder andere Ons feilbare denken, schreef al dat als hij één denkfout met een toverstaf kon wegnemen, het overmoed zou zijn. Overmoed kent meerdere dimensies. Overschatten wat wij weten, overschatten dat wij meer weten dan anderen (en dat deze informatie “beter” is) en het overschatten van de precisie van de eigen voorspelling. In een eigen onderneming kunnen die alle drie kloppen. Daarbuiten zelden.
Het netwerk is de verleiding
Vaak komt na de verkoop de dealflow vanzelf. Ook als u het niet wilt. De private bank, de oud-collega, de bevriende ondernemer die ook meedoet in een nieuwe start-up. Gevraagd en ongevraagd ontvangt u allemaal beleggingsvoorstellen. Vaak van mensen die u vertrouwt. Anderen hebben er al naar gekeken, een analyse gedaan en doen mee. Drie signalen die elk apart geruststellen en samen eigenlijk heel gevaarlijk zijn. Kuddegedrag heet dat en het is heel herkenbaar. We gaan mee in de massa zonder onszelf een objectieve mening te vormen. Tel daar groepsdruk bij op en u zwicht zonder dat u er zelf erg in heeft. Welkom in de wondere wereld van behavioral economics.
Tegenspraak is te organiseren
Het antwoord is niet om de ondernemer te temmen. De vraag is: hoe bescherm je iemand tegen zijn eigen reflexen, in zijn eigen belang? Dit is vrijwel altijd een ontwerpvraag. Is er een investeringsbeleid vastgelegd voordat een kans zich aandient? Waarin willen we beleggen, waarin vooral niet en hoe komen beleggingsbeslissingen tot stand? Families die dit goed doen, hebben een investment committee waarin ten minste één persoon zit die niets aan de deal verdient en de familie niets verschuldigd is. Elk voorstel wordt gewogen tegen het opgestelde investeringsbeleid en past het niet, dan wordt het afgewezen. Nee is ook een antwoord.
Wie aan tafel nee mag zeggen
Het is niet moeilijk een goed investeringsbeleid op te stellen. De uitdaging zit in hoe de beslissingen in de praktijk echt tot stand komen. Wie zitten er allemaal aan tafel? En wie hebben stemrecht? Vaak is de oprichter de voorzitter van het investment committee en de oprichter treft zelden zijn gelijke. Hij heeft het vermogen vergaard en iedereen weet zijn mening nog voordat hij een woord heeft gesproken. Dat is bij uitstek de omgeving waarin groepsdenken gedijt. Afwijkende meningen worden ingeslikt uit loyaliteit, uit ontzag of om de zondag niet te bederven. Dit is een veelvoorkomende valkuil. Wie de mensen wegstuurt die hem vertellen wat hij niet wil horen, heeft een recept voor mislukking. In een familie stuurt niemand iemand weg. Men zwijgt gewoon om de goede lieve vrede te bewaren. Georganiseerde tegenspraak komt dus idealiter van buiten en moet zijn afgesproken voordat zij nodig is. Dus niet de vraag welke belegging u morgen doet. Wel deze: wie mag aan uw tafel nee zeggen en wanneer heeft die persoon dat voor het laatst gedaan?